De therapeutische relaties van de plant met de mens

Werner Junge

Uit "Der Merkurstab - Beitršge zu einer Erweiterung der Heilkunst" - Nummer 4 - Juli/Augustus 1994

In deze tijd wordt de volksgezondheid in de Bondsrepubliek Duitsland vooral gekenmerkt door een explosieve kostenstijging. Dit gegeven heeft in zoverre onze interesse dat een van de wezenlijke oorzaken die tot deze ontwikkeling geleid hebben, gezocht moet worden in het onvermogen om op een zinvolle wijze gebruik te kunnen maken van de geneeskrachten in de plantenwereld.

Naast dit gegeven dient nog een ander belangwekkend actueel fenomeen genoemd te worden: de voortdurende toename van de hart- en vaatziekten in alle industrielanden. Als we onze blik daarop richten, dringt zich de vraag op: welke bijdrage kan de fytotherapie leveren aan de strijd tegen deze doodsoorzaak?

In het navolgende zal duidelijk gemaakt worden waarom de fytotherapie de causale therapie van de cardiovasculaire ziektes is. Daarmee zijn we direct bij de kern van de problematiek aanbeland. Om inzicht te kunnen krijgen in de specifieke geneesmiddelen die in de plantenwereld te vinden zijn en in de wijze waarop deze moeten worden toegepast, stellen we ons de vraag: welke relaties bestaan er tussen plant en mens?

Als we naar het levensproces van de plant kijken, dan zien we dat dit op tweeŽrlei wijze tot uitdrukking komt. In een ritmische afwisseling vindt uitbreiding en samentrekking plaats. Alle plantaardige vormen zijn te herleiden tot dit ritme. Na de sterkste samentrekking in het zaad volgt de eerste uitbreiding van het kiemblad, daarna weer samentrekking in de bladknop, een groter wordende expansie in de bladeren, opnieuw samentrekking in de bloemknop, maximale uitbreiding in de bloembladeren en de sterkste samentrekking in het zaad.

In de gestalte van de plant kunnen drie gebieden duidelijk van elkaar onderscheiden worden: wortel, blad en bloem. In de wortel verbindt de plant zich met de minerale aarde en daarbij stemt zij haar eigen organisatie in hoge mate af op de minerale omstandigheden. Zij ontwikkelt in de wortel zowel harde substantialiteit als mineraliseringsprocessen, hetgeen bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in de vorming van zouten. Hier gaat het levensproces over in de fysisch-minerale substantie. Het komt met de verschijning van de zouten tot stilstand en wordt als het ware door de krachten van de aarde overweldigd.

Hoe anders zijn daarentegen de processen in de bloei. De structuur van de bloembladeren wordt zo open gehouden dat er licht doorheen kan schijnen en kleuren kunnen oplichten. Hier vinden we geen zouten maar zoete nectar, aromastoffen en etherische oliŽn. Deze stromen de atmosfeer in en vervliegen daar en zo breidt de plant zich ver buiten haar ruimtelijk-fysieke gestalte uit. Zij zou haar gestalte volledig willen oplossen om zich helemaal aan de kosmos te kunnen overgeven. Het levensproces maakt hier zijn meest intensieve dynamisering door.In het bloeigebied werken van buitenaf krachten op de plant in die pas door het dier en de mens in hun organisme opgenomen kunnen worden en als zielegebied ontwikkeld kunnen worden. Zowel in de wortel als in de bloem loopt de plant gevaar door de processen van de aarde en de kosmos overweldigd te worden. Tussen deze beide regionen ontwikkelt zich het blad als de eigenlijke plantaardige vorm.

Als we de gestalte van de plant onderverdelen in wortel, blad en bloem, dan moeten we ons ervan bewust blijven dat we daarmee een abstractie scheppen. Een mechanisme bestaat uit afzonderlijke onderdelen die naar believen kunnen worden onderverdeeld in bepaalde structuren. Een organisme echter laat zich op een dergelijke wijze in werkelijkheid niet benaderen. Ook in het kleinste deel van het organisme - de cel - werkt het spectrum van alle krachten van het totale organisme. Hier gaat het nooit om een ruimtelijk naast-elkaar maar altijd om kwalitatieve samenklanken. Zo moeten we ons bij de wortel ook voorstellen dat in de diepten van de aarde, tot in de fijnste wortelhaartjes, zowel blad- als bloemkrachten werkzaam zijn.

Hoe zit het echter met het blad? Het is een vlak, op het eerste gezicht tweedimensionaal van vorm, in de driedimensionale, aardse ruimte. Aan dit fenomeen kan worden afgelezen dat de plant zich als levend wezen niet volledig belichaamt in de driedimensionaliteit van de aardse ruimte. Zij blijft, vergelijkenderwijs gesproken, in een embryonale toestand. Zo blijft er een kracht over die de richting van een ziekteproces in het menselijke organisme kan ombuigen waardoor het genezingsproces een aanvang kan nemen. Of anders gezegd: omdat de bladvorming blijft steken in de tweedimensionaliteit, gaan de levensprocessen van de plant niet volledig op in de vorming van materie. De levende plantensubstanties vormen dus verdichte krachtenpotentiŽlen die in staat zijn om het door ziekte verzwakte organisme te versterken en te ondersteunen.

Om dit gegeven op de juiste betekenis te kunnen inschatten, is het noodzakelijk dat het ruimte-begrip van Descartes verbreed wordt. De ontwikkelingswetmatigheden van levende organismen kunnen niet binnen de drie ruimtedimensies gedetermineerd worden. Om die te kunnen beschrijven, is het derhalve noodzakelijk tegenover het begrip "ruimte" het begrip van een "tegenruimte" te plaatsen, polair aan het eerste begrip. Tegenover de drie ruimtedimensies hoogte, lengte en breedte, die een statische structuur vertegenwoordigen, staan in de tegenruimte drie werkingsdimensies die als kwalitatieve krachten op verschillende wijze de intensiteit van dynamische verhoudingen bepalen en sturen.

Ruimtedimensies dienen dus beschouwd te worden als structuurelementen, terwijl het begrip van de werkingsdimensie "kwaliteit", "dynamiek" en "innerlijkheid" omvat. De werkzaamheid van de werkings- of tegenruimtedimensies ligt ten grondslag aan groei- en afbraakverschijnselen van de organismen.

Voor de beoordeling van de waarnemingsobjecten resulteert dat in dit kader in de volgende correlatie:

Deze verhoudingen, die in de moderne mathematica als ruimte en tegenruimte worden behandeld, werden in vroegere tijden de vier elementen genoemd.

Het element aarde wordt gekenmerkt door een volledige gestructureerdheid die het zuiverst tot uitdrukking komt in de verschijning van de kristallen. In het aards-materiŽle eindigt iedere dynamiek en processuele werkzaamheid.

Laten wij een en ander nog eens duidelijk maken aan de hand van een korte beschouwing van het water. Een met water gevuld vat maakt de indruk dat daarvoor ook de driedimensionaliteit van de aardse ruimte geldt. In werkelijkheid wordt het water slechts bijeengehouden door het vat. Ook een beek- of rivierbedding, het bekken van een meer of een zee is een vat. Zonder vat vloeit het water direct uit in het tweedimensionale vlak, omdat de derde ruimtedimensie het water dan niet structureert. Een nauwkeuriger waarneming leert dat zich binnenin de watermassa's van rivieren, meren en zeeŽn ook overal vlakken vormen. Bij iedere stroming ontstaan glijdende vlakken.

Het bestaan van een tegenruimte veronderstelt het volgende: als het water maar twee ruimtedimensies bezit, moet het over een werkingsdimensie beschikken die het met de tegenruimte verbindt. Dientengevolge is het zelfs als minerale substantie met een soort "innerlijkheid" uitgerust. Die innerlijke impulsiviteit stelt het water in staat om zowel levensprocessen als chemische processen te activeren.

Precies hetzelfde verschijnsel treffen we ook aan in de plantenwereld. De fytotherapie is daarom bijzonder geÔnteresseerd in de processen die zich afspelen in het blad. Algemeen bekend is de chlorofylvorming als resultaat van een lichtproces. Het magnesium dat daarbij ontstaat kan beschouwd worden als de materialisering van dit proces. Niet minder bekend is de koolstof-zuurstof-uitwisseling.

 

Er speelt zich in het blad echter nog een derde proces af dat pas kortgeleden onderwerp van onderzoek geworden is, dat is het proces van de vorming van olie. Daarover is een uitgebreid onderzoek beschikbaar van Dr.med. Schmidt-Kennedy, waarin o.a. het volgende gezegd wordt: "Zoals de plant in het chlorofyl het licht verdicht, zo verdicht zij in de vorming van olie de warmtekracht. Het feit dat deze in de bladeren gevormde olie dan aangetroffen wordt in de bloem, in het zaad, in de kiem, in de vrucht of ook wel in de wortel heeft in het verleden tot de verkeerde veronderstelling geleid dat daar dan ook steeds de olie gevormd zou worden, iets dat in werkelijkheid niet het geval is. Als de licht- en warmtestroom 's avonds ophoudt en de olievorming stopt, volgt het transport daarheen. De plaats van bestemming van de oliŽn, de plek waarheen ze getransporteerd moeten worden, is al in het blad bepaald, zodat een kiemolie werkelijk in de kiem en bijvoorbeeld niet in de wortel terechtkomt. De oliŽn worden in het blad dus kwalitatief gekenmerkt. Op dit terrein liggen nog problemen die een verdergaand onderzoek en een nadere verklaring vragen."

Laten we de blik nu op de mens richten. Plant en mens zijn in een levensgemeenschap op een bepaalde wijze verbonden. Als we kijken naar de levende wezens, naar hoe ze zich achtereenvolgens op aarde ontwikkelen, dan staat de plant aan het begin, de mens daarentegen aan het einde. Met dit gegeven zijn polaire ontwikkelingsvoorwaarden verbonden. Voor een puur natuurwetenschappelijke beschouwing bestaat er bijvoorbeeld geen wezenlijk verschil tussen dier en mens. In een werkelijkheidsgetrouwe beoordeling van de dynamische factoren kan de plant als een tweedimensionaal wezen gekarakteriseerd worden. Het dier is volledig in de aardse ruimte opgenomen en realiseert met zijn organisatie de driedimensionaliteit.

In de ontwikkeling van de mens treedt ten opzichte van plant en dier een heel nieuw element in verschijning, dat zo werkzaam wordt dat het zich als een individualiteit kan manifesteren. Dit element dat de mens ter beschikking staat, komt tot uitdrukking als denkkracht. Het geeft hem de mogelijkheid om in zijn ontwikkeling boven de natuurlijke voorwaarden uit te stijgen. Om die reden is de mens niet het produkt van zijn omgeving of van zijn voeding, zoals dat wel geldt voor dier en plant.

De begrippen "ruimte" en "tegenruimte" maakten het mogelijk om rekening te houden met dynamische factoren. De daaruit voortvloeiende correlaties lieten de driedimensionaliteit echter principieel onaangetast. De tweedimensionaliteit bleek wezenlijk voor de plant, pas het dier verwerkelijkt de driedimensionaliteit. Nu betreedt ook de mens met zijn fysieke organisatie volledig de driedimensionaliteit van de aardse ruimte. Het individualiserende ontwikkelingsprincipe van de mens, dat zich als denkkracht manifesteert, is van geestelijke aard en is bepalend voor de gehele ontwikkeling. Als de mens door dit principe de mogelijkheid heeft om boven de grondslagen der natuur uit te kunnen stijgen, dan dient zijn wezen vierdimensionaal beschouwd te worden.

 

Daarmee ontstaat een volstrekt nieuwe problematiek. In de gegeven maatschappelijke condities pakken de mensen dit ontwikkelingsprincipe, dat hen in wezen in staat stelt het specifiek menselijke te ontwikkelen, steeds minder op. Ze lijken het zelfs helemaal te vergeten en uit hun bewustzijn te verliezen. Het gevolg daarvan is een verzwakking van het totale organisme die tenslotte in allerlei ziektevormen tot uitdrukking komt. Als we die kwalen onderzoeken, vinden we in het menselijk organisme gebieden die op een verschillende manier functioneren en die net als bij de plant een driegeleding vormen.

Dezelfde tegenstelling als die tussen de processen in de wortel en de processen in de bloem, vinden we terug in de verhoudingen in het zenuw-zintuigstelsel aan de ene kant en de processen in de stofwisselingsorganen en de ledematen aan de andere kant. Net zoals het blad tussen de polaire krachten van de wortel en de bloem bemiddelt en hen met elkaar in evenwicht brengt, zo reguleert de ritmische organisatie van de mens in ademhaling en bloedsomloop het evenwicht tussen de activiteit in het zenuwstelsel en de processen in de stofwisseling. Als die ritmische organisatie uit balans raakt, krijgen krachten de overhand die ofwel verharding, ofwel ontsteking bewerkstelligen.

Zuiver fenomenologisch beschouwd blijkt het zenuw-zintuigstelsel, waarin hoofdzakelijk verhardende krachten werkzaam zijn, met het wortelgebied van de plant te corresponderen. In de stofwisseling en in de bewegingsprocessen zijn krachten werkzaam die tot ontsteking kunnen leiden. Dit gebied correspondeert met het gebied van de bloei. De ritmische organisatie van de mens - ademhaling en bloedsomloop - correspondeert met het bladgebied van de plant. Deze samenhang biedt de fytotherapeut bijzondere mogelijkheden voor zijn werkzaamheden.

Als we bedenken dat de hart- en vaatziekten tegenwoordig doodsoorzaak nummer ťťn vormen, dan is de fytotherapeut bij uitstek degene die deze ontwikkeling een halt toe kan roepen. In de bladprocessen van de planten liggen namelijk de noodzakelijke geneeskrachten besloten. Het komt er echter op aan dat deze processen bewust gehanteerd en doelgericht toegepast worden.

Voor een helder zicht op deze problematiek, vatten we het voorafgaande kort samen. Een vergelijkende beschouwing van de fenomenen bij plant en mens leerde dat de mens t.o.v. de plant in omgekeerde richting op de aarde staat. De wortelprocessen corresponderen dus met de processen van het hoofd als het centrale orgaan van het zenuw-zintuigsysteem; de processen in de bloem stemmen overeen met de stofwisselingsprocessen. Zowel bij de mens als bij de plant zijn deze organisatiegebieden van polaire aard. Als functionele polariteiten en als krachtenpolariteiten worden zij door een derde orgaansysteem in een vloeiende evenwichtstoestand gehouden: bij de mens door de ademhalings- en circulatie-organen, bij de plant door het blad. Net zoals de mens voor het ontplooien van ware menselijkheid de krachten van het hart nodig heeft, zo is ook de plant in het blad het meest plant.

De levensprocessen berusten op de synthese van polaire krachten. Als het middengebied zijn evenwichtscheppende functie niet in voldoende mate kan vervullen, worden in het gehele organisme eenzijdig geaarde krachten werkzaam die zich tenslotte als ziekteprocessen kunnen manifesteren in de vorm van verharding of ontsteking.

Hart- en vaatziekten voeren de ranglijst van doodsoorzaken aan. Het is zaak om deze ontwikkeling te keren door doelgericht gebruik te maken van de geneeskrachten die in de bladprocessen aanwezig zijn. Binnen het blad werkt de krachtenpolariteit in het chlorofylvormingsproces en in de uitwisseling van zuurstof en koolstof. Het evenwichtscheppende proces is het proces van de vorming van olie, dat de bekroning van het plantaardige vormt. De plant varieert dit proces over de hele breedte van haar ontwikkelingsmogelijkheden, afhankelijk van haar plek op aarde en haar eigen specifieke functies.

Zonder twijfel zijn de pathogene factoren die ten grondslag liggen aan de cardiovasculaire ziekten zeer talrijk, maar de verschillende kwaliteiten van de plantenoliŽn zijn niet minder gedifferentieerd.

Bij een therapeutische toepassing verdient het aandacht dat hart- en vaatziekten niet door directe uitwendige of inwendige toediening van oliŽn te genezen zijn. Stoornissen van het hart of van het hartsysteem liggen in de dynamiek, die slechts door dynamische maatregelen positief beÔnvloed kan worden. De hart- en vaatziektepatiŽnt moet niet met olie behandeld worden, maar hij moet in verbinding worden gebracht met het proces van de vorming van olie.

De technische methode die dit mogelijk maakt, berust op een zo fijn mogelijke verdeling van oliŽn in water. Daarbij mogen volstrekt geen emulgatoren gebruikt worden. De vereiste optimale verdeling wordt bereikt door werveling van de olie met water met behulp van een oliedispersie-apparaat (Deutsches Bundespatent Nr. 2161729). Met deze in een bad verwerkte oliedispersie worden de hart-en vaatziektepatinten behandeld. Tot op heden zijn er geen contra-indicaties. Zelfs patiŽnten die in ernstige mate aan angina pectoris of aan asthma cardiale leden en die het ten strengste ontraden werd om te baden, verdroegen de oliedispersiebaden zonder problemen.

Dit gegeven bevestigt eens te meer dat de oliedispersiebaden als een dynamische ingreep het proces van de olievorming in zijn oorspronkelijke dynamiek volledig tot ontplooiing brengen en zo de stoornissen in de dynamiek van de bloedsomloop overwinnen en weer harmoniseren. De oliedispersie-badtherapie is dus een causale therapie voor de cardio-vasculaire ziekten.

Met het oliedispersie-apparaat kunnen deze bijzonder werkzame baden overal bereid worden waar een bad met handdouche aanwezig is. Het apparaat wordt eenvoudig aan de doucheslang bevestigd. Voor een vol bad is slechts 3-5 ml. olie nodig.

W. Junge, Birenbach

(Vertaling: Hans Schenkels)

Literatuur

ę terug